Wat weet jij van het ontstaan van de Nederlandse taal?


Geschiedenis van het Nederlands saai? Welnee. Het is leuk om te weten hoe de taal die je dagelijks spreekt, leest en schrijft ontstaan is. 

Wat weet jij eigenlijk van de Nederlandse taal? Hoe is ‘onze taal’ ontstaan? Welke ontwikkelingen heeft de moderne Nederlandse taal allemaal ondergaan?


Wie spreken er Nederlands?

Het Nederlands is een West-Germaanse taal en de moedertaal van de meeste inwoners van Nederland, België en Suriname. In de Europese Unie spreken ongeveer 24 miljoen mensen Nederlands als eerste taal en 5 miljoen als tweede taal. Verder is het Nederlands ook een officiële taal van de Caraïbische (ei)landen Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Er zijn ruim ½ miljoen Nederlands sprekende inwoners van de Verenigde Staten, Canada en Australië. In de minderheid zijn de inwoners van Frankrijk, Duitsland en Indonesië die nog Nederlands spreken. In Zuid-Afrika spreken de inwoners Afrikaans, een dochtertaal van het Nederlands. Tot 1925 had Zuid-Afrika dezelfde spellingsregels als Nederland en België.


Woordenschat

Het Nederlands kent een hoofdzakelijk Germaanse woordenschat. De totale woordenschat bestaat naar schatting uit meer dan 1 miljoen woorden (exclusief de miljoenen ‘vergeten’ woorden). Het aanbod Nederlandse woorden is oneindig, omdat je talloze combinaties kan maken van woorden door ze aan elkaar te plakken.


Het langste Nederlandse woord 

Volgens de Dikke Van Dale was het langste woord uit dat woordenboek zandzeepsodemineraalwatersteenstralen (37 letters) met als betekenis dat je moet ‘opsodemieteren’. Deze staat er sinds 2005 niet meer in. Een andere goede is elektriciteitsproductiemaatschappij (35 letters). Je kan natuurlijk nog veel langere woorden maken, alleen rekent Van Dale samenvoegingen niet als officiële woorden. Het woord kindercarnavalsoptochtvoorbereidingswerkzaamhedencomitéleden  bestaat uit 60 letters en was ooit de winnaar van een prijsvraag van het spelprogramma Lingo, dat op zoek was naar het langste Nederlandse woord. En deze is ook leuk: hippopotomonstrosesquippedaliofobie (35 letters) met de betekenis ‘angst voor lange woorden’.


Synoniemen

In het Nederlands bestaan net als in het Engels vaak twee woorden met dezelfde betekenis (synoniemen) waarvan het ene een Germaans erfwoord en het andere een Romaans leenwoord is, bijvoorbeeld uitnodiging en invitatie. Meestal worden de Germaanse woorden meer gebruikt in het dagelijks leven, en blijft het gebruik van hun Romaanse synoniemen beperkt tot de formele schrijftaal.


Leenwoorden

Het Nederlands heeft in de loop van de tijd veel woorden geleend uit andere talen. Sommige van die leenwoorden zijn een vast onderdeel van de taal geworden, andere zijn weer verdwenen. Het is erg leuk om te zien welke woorden uit welke taal ontleend zijn. Het zijn soms voor de hand liggende woorden, maar zeker ook woorden waar je het niet van zou verwachten. 

Sinds de 20e eeuw leent het Nederlands vooral uit het Engels. Eerder leende het Nederlands veel uit andere talen, met name het Latijn en Frans. Vooral in de 19e eeuw zijn er veel woorden uit het Indonesisch overgenomen, toen Indonesië een Nederlandse kolonie was. Maar er zijn ook invloeden vanuit o.a. het Duits, Italiaans, Spaans en Portugees. Enkele leuke voorbeelden zie je in onderstaande tabel.

 

Engels    Latijn  Frans Indonesisch  Duits Italiaans     Spaans       Fries
alligator jeans
kangoeroe mini
outfit
panorama
sjaal
speech
fundament kalk
kluis
lyceum
muur
pleister
prisma
school
bikini
brutaal
intelligent
kilometer punaise
portemonnee reanimatie visagist  
bakkeleien klamboe
nasi
rimboe
thee
sambal
saté
toko 
componist
hamsteren
menthol
ontoerekenings- vatbaar schnabbelen symfonisch
volkslied  
bank casino firma incasso piano
prima trampoline villa 
ananas chocolade commando escapade kurk
rodeo tomaat tornado 
feeks fierljeppen kapen klunen sjoelbak
sjoelen
sjouwen terp


Er zijn nog veel meer leenwoorden te vinden, ontleend aan o.a. het Grieks, Chinees, Japans, Portugees, Russisch en invloeden vanuit de Scandinavische talen.

Het Nederlands heeft ook veel leenwoorden aan bijvoorbeeld de Engelse taal gegeven. Ongeveer 1% van de Engelse woorden heeft een Nederlandse oorsprong. Een paar voorbeelden zijn: cookie (koekje), boss (baas), splinter (splinter), spook (spook), dike (dijk).


Nog meer feitjes uit de Nederlandse taalgeschiedenis

In 700 na Christus waren er 3 grote taalgebieden in Europa: Latijn, Keltisch en Germaans. Uit de Germaanse taalgroep ontwikkelden zich het Engels, Duits, Nederlands en de Scandinavische talen. De talen werden in die tijd alleen gesproken. Er bestond dus nog geen schrift, de geschreven taal zoals je dat op school leert. Vroeger konden de meeste mensen niet schrijven. Monniken konden wel schrijven, maar meestal deden ze dit alleen in het Latijn.

Onderstaand een leuk voorbeeld van woorden die in verschillende talen toch sterk op elkaar lijken (cognaatwoorden):

 

Engels   Fries  Afrikaans  Nederlands  Nedersaksisch  Duits  Zweeds  Deens  Noors
apple   appel   appel      appel        appel            Apfel äpple æbie eple
book boek boek boek boek, book Buch bok bog bok
day dei dag dag dag Tag dag dag dag
glass glês glas glas glas Glas glas glas glass, glas

 

 

 


Oudnederlands

De Oudnederlandse spelling was rijk aan klanken. Het opvallendst aan de Oudnederlandse spelling is dat er geen verschil werd gemaakt tussen u en v, bv. uogala (vogels) De w verschijnt pas vanaf de 10e eeuw; voor die tijd werd de klank weergegeven met 2 lettertekens uu of vv. De combinatie qu staat voor kw. In de oorsprong werd er ook geen j gebruikt, maar een i.


Alfabet

Het Latijnse alfabet was de basis van de Oudnederlandse spelling. Het Latijnse alfabet, zoals gebruikt voor het huidige Nederlands, kent 26 letters, waarvan er 6 worden gebruikt voor klinkers (a, e, i, o, u en y) en 21 voor medeklinkers (de y wordt zowel als klinker als als medeklinker gebruikt). Het woord alfabet is een samenstelling van alfa (α) en bèta (β), de namen van de eerste twee letters van het Griekse alfabet. De woorden alfa en bèta hebben geen betekenis. Ze komen uit het Fenicisch. Oorspronkelijk waren de lettertekens namelijk kleine tekeningetjes: een alef was een os, een beth een huis.

Vanaf omstreeks 1100 praat je over het OudNederlands.

Een bekende oude Nederlandse tekst, Hebban olla vogala, komt uit 1150. Dit is geschreven door een monnik. Hij schreef het om zijn ganzenveer uit te testen. Het stukje is geschreven in Oudnederlands. Het stukje wat de monnik schreef is een gedicht:

 

 
  Oudnederlands   Nieuwnederlands
Hebban olla uogala nestas hagunnan
Hinase hi(c) (e)nda thu
Uu(at) unbida(n) (uu)e nu
Alle vogels zijn hun nesten begonnen.
Behalve ik en jij.
Waar wachten wij nog op?

 

De vraag is of deze zin wel écht de oudste is. Er zijn oudere geschriften gevonden met teksten in voorlopers of dialecten van het Nederlands. Toch worden die oudere geschriften niet als ‘oudst bewaarde’ gezien.


‘sch’ aan het einde van een woord

Vroeger zag je vaak -sch aan het woordeinde geschreven als het woord in ouder Nederlands op -sk of -sc eindigde. Oorspronkelijk werd een woord als mensch met een k- of g-achtige klank aan het einde uitgesproken. Daardoor kwam de spelling ‘mensch’ steeds meer ter discussie te staan. De sch-spelling van de s-klank is officieel pas afgeschaft in 1947; toen werd de spelling-Marchant (die al sinds 1934 op scholen werd onderwezen) officieel.


Middelnederlands

Het Middelnederlands is de taal die in Nederland tussen 1200 en 1500 werd gesproken. Het belangrijkste kenmerk van de spelling was dat er geen vaste regels waren. Je schreef het op, zoals je het hoorde en uitsprak. Omdat het Middelnederlands een verzameling van dialecten is met verschillende uitspraken, bestaan er daarom ook verschillende schrijfwijzen. 

Voorbeeld: dag = dag, dagh, dach, daghe.

Het Middelnederlands was geen standaardtaal, maar meer een verzamelnaam voor verschillende dialecten die op het Nederlands grondgebied gesproken werden.

De grootste dialectgroepen waren de volgende:

  • Brabants: taal van de regio van de huidige provincies Noord-Brabant, een deel van Gelderland en de Belgische provincies Vlaams-Brabant en Antwerpen;
  • Hollands: was vooral in gebruik op het huidige gebied van Noord- en Zuid-Holland en delen van Utrecht;
  • Limburgs: is het dialect van de streek van het huidige Nederlands- en Belgisch-Limburg;
  • Oostmiddelnederlands: oostelijke dialecten werden gesproken in de regio van de huidige provincies Gelderland, Overijssel, Drenthe en delen van Groningen;
  • Vlaams: dat soms nog verder wordt opgesplitst in West- en Oost-Vlaams, werd gesproken op het huidige gebied van West- en Oost-Vlaanderen (Gent, Brugge, Kortrijk).

Het Diets

De volkstaal waarin in de middeleeuwen werd geschreven wordt Diets genoemd. Diets betekent van het diet (van het volk). Iemand iets diets maken betekent dus iemand ‘iets zeggen in de taal van het volk’. Hij begrijpt dan wat het bediedt (beduidt).

Zinnen hadden in de middeleeuwen geen vaste volgorde. Een vaste volgorde was onnodig, want men kon aan de vorm van een woord zien welk zinsdeel het was. Voor lezers uit de middeleeuwen was de betekenis van Den coninc zag die rechtere direct duidelijk: ‘De rechter zag de koning’.


Naamvallen

In het Middelnederlands werd nog volop gebruik gemaakt van naamvallen. In het Duits is dat tegenwoordig nog zo, maar in het Nederlands en het Engels zijn de naamvallen verdwenen.

Naamvallen zijn verschillende vormen van een woord waarmee de functie in de zin wordt aangegeven.

Het Nederlands kende de volgende naamvallen:

  • nominatief (onderwerp van de zin): thuus was wel wijt het huis was heel ruim;
  • accusatief (lijdend voorwerp, maar werd ook na bepaalde voorzetsels gebruikt): Hi slacht sinen vader hij doodt zijn vader;
  • genitief (aanduiding van bezit): die porte des borgs was iserijn de poort van de burcht was van ijzer;
  • datief (meewerkend voorwerp): met luder sprake met een luide stem.

Er zijn wel nog verwijzingen naar het vroegere gebruik van naamvallen, bijvoorbeeld:

  • ‘s morgens;
  • de heer des huizes;
  • het beste lied aller tijden.

En je ziet het ook nog terug in sommige achternamen: Robijn van den Berg, Benjamin ter Aar.


De boekdrukkunst

De boekdrukkunst werd uitgevonden rond het jaar 1455. Dit betekent een omwenteling in de kennisoverdracht. De uitvinding hield in het ‘zetten’ van een tekst uit losse letters. Deze letters werden gegoten uit een metaallegering van lood en tin in daarvoor gemaakte gietmallen. Ze konden bij slijtage gemakkelijk omgesmolten worden en opnieuw gegoten. Zo ontstond een gedrukte tekst die zich kon meten met de beste handschriften.

 

boekdrukkunst boekdrukkunst 15e eeuw

 

Er lijkt een lange incubatietijd nodig. In het begin wordt de boekdrukkunst alleen gebruikt voor het drukken van de Bijbel. Gedurende de tweede helft van de 15e eeuw is er nog geen sprake van een massale verspreiding van Bijbels. Er waren slechts enkele uitgaven en de oplagen waren klein.

Toch is de uitvinding van grootse betekenis geweest, al komt dit pas in de 16e eeuw naar voren. Als in de 16e eeuw het volk in opstand komt tegen de gevestigde orde, is het de drukpers die het proces ondersteunt. Ideeën hoeven niet langer van mond tot mond doorgegeven te worden. De verspreiding is niet langer alleen afhankelijk van de reissnelheid van de persoonlijke boodschappers. Ook wordt het volk onafhankelijk van de kerkelijke en wereldse overheid. Het kan nu langs andere wegen kennis nemen van ideeën.


Invloed van de inwoners van Amsterdam 

Vanaf de 2e helft van de 16e eeuw vluchtten veel mensen uit de zuidelijke provincies naar het noorden van Nederland. Amsterdam nam veel Vlaamse en Brabantse immigranten op, die veelal behoorden tot de hogere klassen. Dat leidde ertoe dat hun taal werd nagebootst. Amsterdam heeft daarom in de 17e eeuw grote invloed gehad op de ontwikkeling van een algemene schrijftaal. Een algemene spreektaal was er in de 17e eeuw nog niet.

De boeken van o.a. P.C. Hooft, Joost van den Vondel en Jacob Cats zijn mede van invloed geweest op het ontstaan van een algemene Nederlandse schrijftaal.

 


Nieuwnederlands
(16e en 17e eeuw)

Pas in de 16e eeuw kwam er een standaardtaal. Daarvoor had je dus nog niet zoiets als ‘het Nederlands’, alleen maar dialecten waarvan de sprekers elkaar vaak niet eens begrepen. Sindsdien is de manier waarop we het Nederlands moeten schrijven best vaak veranderd. De laatste grote verandering was in 1995.


Woordenboek der Nederlandsche taal

De 1e officiële spelling van het Nieuwnederlands werd in 1804 opgesteld door Matthijs Siegenbeek. De spelling-Siegenbeek introduceerde onder andere de typische Nederlandse ij, die voorheen als y werd geschreven (blij/bly). Matthias de Vries en Lammert Allard te Winkel, de eerste redacteuren van het Woordenboek der Nederlandsche Taal, ontwierpen vervolgens in 1864 een nieuwe spelling van de Nederlandse taal. Zij werden gesteund door minister Thorbecke met 500 gulden subsidie per jaar. Deze werd in 1882 in België ingevoerd als officiële spelling, terwijl Nederland pas volgde in 1883Het zou tot 1934 duren, voordat deze spelling vereenvoudigd werd voor het onderwijs. Deze nieuwe versie staat bekend als de spelling-Marchant, vernoemd naar de minister van Onderwijs die het invoerde. Er werd geprobeerd inzicht te geven in de wijzigingen van de dubbele klinkers naar enkele klinkers, veranderingen van sch naar een enkele s en het verdwijnen van de Nederlandse naamvallen (ik zie den man).

In bijna ongewijzigde vorm werd deze spelling in 1946 in België bij regeringsbesluit ingevoerd, Nederland voerde haar in 1947 in. 


Het Groene Boekje

De eerste druk van het Groene Boekje verscheen in 1954. Dit boekje bevatte een uitvoering van het Belgische Spellingbesluit van 1946 en de Nederlandse Spellingwet van 1947, waarbij een regeling werd voorgeschreven met betrekking tot het voornaamwoordelijk gebruik, het gebruik van genitiefvormen zoals der, dezer en zijner, de schrijfwijze van bastaardwoorden en de tussenklanken in samenstellingen. Tevens worden hierin voor de spelling van de spraakklanken, de verdeling van de woorden in lettergrepen, het gebruik van het koppelteken, het deelteken en het weglatingsteken en het gebruik van hoofdletters voorschriften en aanwijzingen gegeven.

 

Het Groene Boekje


Het Groene Boekje bevatte in sommige gevallen een voorkeurspelling (met varianten van spellingswijzen) gegeven, die in de praktijk voor onduidelijkheid zorgde. Daardoor verdween deze voorkeurspelling in het Groene Boekje van 1995. Verder was een van de grote veranderingen in 1995 de aanpassing van de regels omtrent de tussenklank -e(n)- in samenstellingen.

Deze veranderingen leidden tot veel discussie met als hoofdbezwaar dat er geen logica in de regels voor de tussen-n te ontdekken was. Daarnaast vonden critici veel fouten in het Groene Boekje, en publiceerden die onder meer in het blad Onze Taal. Het Groene Boekje wordt om de 10 jaar aangepast, zodat ook neologismen als webcam (1998), sms’en (1999) en googelen (2003) als nieuwe woorden worden opgenomen. De laatste spellingwijziging dateert van 2005 en betreft vooral het wegwerken van uitzonderingen of twijfelgevallen bij het toepassen van de spellingsregels. Het laatste Groene Boekje dateert uit 2015.


Het Witte Boekje

De bezwaren tegen het Groene Boekje leidden tot de publicatie in augustus 2006 van een alternatieve spellingslijst, de zogenaamde ‘witte spelling‘ in Het Witte Boekje. Een aantal media kondigden aan deze spelling, gebaseerd op de spelling van vóór 1995, te zullen blijven gebruiken (dit waren de Volkskrant, Trouw, NRC Handelsblad, Elsevier, HP/De Tijd, De Groene Amsterdammer, Vrij Nederland, Planet Internet, Teletekst en de NOS). Intussen is de spelling uit Het Groene Boekje verplicht gesteld in overheidsdocumenten en in het (basis)onderwijs.


De Dikke Van Dale

Van Dale is de beroemde opvolger van Te Winkel en De Vries. Van Dale is vooral bekend als uitgever van het Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal, beter bekend als ‘de Dikke Van Dale’. Het Nederlandse woordenboek is het grootste woordenboek ter wereld. De Nederlandse spelling is in Nederland, Vlaanderen en Suriname officieel geregeld. Het betreft, in gewijzigde vorm, de zogenoemde spelling De Vries en Te Winkel.


Algemeen Beschaafd Nederlands

Aan het eind van de 19e eeuw kwamen de spreek- en schrijftaal dichter naar elkaar toe. Dat kwam vooral doordat de schrijftaal bij velen een natuurlijker karakter kreeg dat dichter bij de spreektaal bleef. De term voor deze nieuwe taalnorm was ‘Algemeen Beschaafd Nederlands’ (ABN), ze gold voor spraak én schrift. In het begin van de 20e eeuw was het ABN nog slechts bij een kleine elite in gebruik, maar vanaf de jaren ’50 werd ze welbekend. De laatste decennia staat de term ‘ABN’ volop ter discussie. Aan de ene kant zijn er de taalgebruikers die zich weinig storen aan de regels van het ABN, ook niet als zij schrijven. Aan de andere kant zijn er velen die zich ongerust maken of ergeren, omdat naar hun idee de taal verloedert. Onder taalwetenschappers is de term ABN al lang geleden in onbruik geraakt. De term zou ten onrechte de suggestie kunnen wekken dat mensen die andere variëteiten van het Nederlands spreken, niet beschaafd zijn. Daarom wordt liever gesproken van Algemeen Nederlands (AN) of Standaardnederlands.

Het Nederlands is een moeilijke taal om aan te leren voor zowel allochtonen als in Nederland geborenen. Het ontbreekt aan logica. Door voldoende ervaring zal je de talloze regels leren.


Fries

Nederlands is de officiële taal van Nederland. Daarnaast is Fries in de provincie Fryslân erkend als tweede officiële taal. Friese burgers hebben het recht om hun eigen taal (Nederlands of Fries) te gebruiken. Bijvoorbeeld in de rechtszaal of in contact met de gemeente. Dat is geregeld in de Wet gebruik Friese taal.

De wet bepaalt ook hoe in het rechtsverkeer de eed of belofte in het Fries wordt afgenomen. En hoe Friese gemeenten regels en een beleidsplan moeten opstellen voor het gebruik van de Friese taal.

Het Fries is een gestandaardiseerde taal. De provincie stelt in overleg met de Fryske Akademy de spelling van het Fries vast.


Mooi, ons Nederlands

De samenleving, sociale groepen, taalautoriteiten, communicatieprofessionals, politici, rechters en bestuurders: allemaal hebben ze iets over taal te zeggen. Wat als juist wordt gezien, verschilt sterk per groep, persoon en situatie. Nederland is een meertalig land waarin iedere omgeving om ander taalgebruik vraagt: straattaal, jongerentaal, dialect, jargon, ‘fatsoenlijke’ taal of volkstaal, Nederlands, Fries, spreektaal of schrijftaal, muziekteksten, de beknopte en directe taal van het internet of de beleidstaal van de overheid. Taal is van iedereen en biedt je oneindig veel mogelijkheden in het leven.

 


Ons Nederlands. Een taal rijk aan invloeden uit het verleden. Moeilijk aan te leren, maar o zo mooi. En een taal klaar voor de toekomst. Er zijn regelmatig taalverkiezingen van o.a. het mooiste, langste, grappigste, netste, moeilijkste, meest gebruikte, nieuwste woord. Taal houdt je bezig. Mij in ieder geval wel. Wat vind jij het leukst aan de Nederlandse taal?

 

Wat weet jij van het ontstaan van de Nederlandse taal?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *