De 10 struikelblokken van de Nederlandse taal


Nederlands is een moeilijke taal om te leren, maar weet je ook waarom?  
Na het bekijken van dit grappige filmpje van Arnoud Kuijpers uit 2013 zal het meteen duidelijk voor je zijn. Een gedicht met leuke voorbeelden uit onze lastig te begrijpen Nederlandse taal.

 

 

1   klanken

In het Nederlands bestaan er 15 open klanken: a, aa, e, ee, i, ie, o, oo, u, uu, ij/ei, au/ou, eu, ui, oeDat is veel meer dan in de meeste talen.

In de meeste talen wordt de g uitgesproken zoals in goal. De harde g is voor veel anderstaligen een struikelblok. Voor hen klinkt dit als het schrapen van de keel.

Verder is onze r verwarrend, omdat wij zowel een lange, rollende r als een subtiele r gebruiken. En zo zijn er ook nog de sch, schr en gr. Voor anderstaligen vaak moeilijk accent vrij te krijgen en lastig uit te spreken.

De klinkers zijn typisch voor het Nederlands, de meeste talen hebben niet zoveel klinkers, vaak hebben ze er maar 5 of minder. Germaanse en Scandinavische talen hebben veel klinkers. Ook de manier waarop wij de klinkers spellen is typisch Nederlands. In andere talen wordt bijvoorbeeld eu gespeld als ö, en de oe als u. Dit geeft vaak verwarring.

De meeste medeklinkers vormen geen probleem, ze komen in de meeste talen ook voor, maar er zijn talen waarin sommige van onze medeklinkers ontbreken. Denk aan het Pools en Frans zonder de h of het Chinees zonder de r en l. Ook komt het voor dat klanken net iets verschoven zijn, zoals goed te horen is bij Duitsers die de w uitspreken als een soort v. Voor volwassen sprekers is het moeilijk een klank die in hun moedertaal niet voorkomt aan te leren. Dan blijkt een medeklinker veel invloed te hebben op de verstaanbaarheid. Denk bijvoorbeeld aan Engelsen of Chinezen die de r niet kunnen zeggen en hoezeer dat de spraak beïnvloedt. 

Medeklinkercombinaties zijn weer typisch Nederlands, zoals in woorden als herfst of schrift. Hierbij gaat het niet om losse klanken die iemand niet kan maken, maar om de combinatie van klanken. Dat blijkt in de praktijk voor sommige sprekers moeilijker dan voor anderen. De sch en de ng van Scheveningen zijn daarvan voorbeelden, maar ook de eind-t: maakt, taart, geeft vaak problemen.De typisch Nederlandse aspecten zijn de klinkers en de medeklinkercombinaties. Ook voor de spelling is het van belang de klinkers te kunnen onderscheiden. De begin- en eindclusters, strand, herfst, komen in het Nederlands heel veel voor en zijn voor sprekers van sommige talen, zoals Spaans en Indonesisch, heel lastig.

 

2   grammatica

Grammatica (ook wel spraakkunst of spraakleer genoemd) is de structuur van een taal. Grammatica is eigenlijk het bouwen van zinnen. De juiste woorden in de juiste vorm kiezen en ze in de goede volgorde zetten. Als je moedertaal Nederlands is, doe je dat automatisch. Het verbuigen en vervoegen van woorden behoort ook tot de grammatica. Op de basisschool leer je zinnen ontleden, een belangrijk onderdeel van de grammatica. Zo kun je zien uit welke zinsdelen een zin is opgebouwd en welke functie die zinsdelen vervullen. Wat doet precies een onderwerp? Hoe herken je een meewerkend voorwerp? Redekundig ontleden heet dat. Dan heb je nog taalkundig ontleden. Dat is een zin in woordsoorten verknippen. De Nederlandse grammatica kent vele regels, waardoor het zo lastig te onthouden is.

 

 


De Nederlandse taal levert bij het luisteren naar peuters en kleuters hilarische zinnen op. Heerlijk die kindertaal. Mijn zoon (van 3 jaar) had het vorige week nog over een opblaas krokodil die was leeg gelopen. Toen hij dat zag, zei hij: “Mam, de krokodil is plat gelekt.” Ook heeft hij het regelmatig over iets wat hij nodig heeft en gebruikt dan de volgende zinsconstructie: “Ik moet een schaar nodig hebben.” Ook mijn dochter (van 5 jaar) kan er wat van: “Dat heb ik opgeschrijft.” en “Dit zijn mijn knuffels, de hemze liggen boven.”

Door ervaring zal je de taal gaan beheersen. Dat betekent oefenen, oefenen en nog eens oefenen.

 

3   werkwoorden

Het gebruik van een aantal werkwoorden is erg lastig. Wanneer gebruik je ‘leggen’ of ‘liggen’, ‘kunnen’ of ‘kennen’, ‘hebben’ of ‘zijn’? Verder ontstaat vaak verwarring tussen ‘liggen’, ‘staan’ en ‘zitten’. Er ligt een boek op tafel. Er staat een vaas op tafel. Er zit een vlek op de tafel.

De verandering van klanken bij het vervoegen van een werkwoord is ook niet vanzelfsprekend. Bijvoorbeeld ‘lopen’: ik loop (en dus niet ik ‘lop’) in vergelijking met ‘komen’: ik kom (en dus niet ik ‘koom’).

Het vervoegen van werkwoorden is niet eenvoudig uit te leggen. En wat te denken van ‘d’, ‘t’ en ‘dt’? Op school gebruikten wij vroeger het werkwoord smurfen als basis werkwoord. Vervang in al je vervoegingen een werkwoord door het werkwoord smurfen. Bijvoorbeeld ‘beantwoorden’: jij smurft -> dus jij beantwoordt (omdat achter smurf ook een t komt). Draai de zin maar eens om als vraag. Beantwoord jij? (smurf jij?) Hierachter komt dus geen t.

 

4   de/het

Verder zijn onze lidwoorden ‘de’ en ‘het’ evenals verwijswoorden als ‘die’, ‘dat’, ‘deze’ en ‘dit’ struikelblokken en is de woordvolgorde in een zin vaak afwijkend van andere talen. Neem bijvoorbeeld in het Engels de zin: “Why learning Dutch isn’t easy”. Wij zeggen: “Waarom Nederlands leren niet gemakkelijk is”. Maar een anderstalige zal vaak “Waarom leren Nederlands is niet gemakkelijk” zeggen. In het Engels is het altijd the. In het Spaans eindigen mannelijke worden vaak op een o en vrouwelijke op een a (niet altijd), hetgeen helpt bij de keuze tussen El of La.

Waarom is het de koe, het paard, de straat en het huis? In het Nederlands zit er niks anders op dan te leren of je de of het moet gebruiken. Soms kan het allebei: “Mag ik de zout?” of “Mag ik het zout?” Dat mag, omdat het gerekend wordt onder het metonymisch taalgebruik. De zout betekent hier zoiets als ‘de zoutstrooier’.

 

 

5   de zinsvolgorde verwisselen (inversie)

Inversie is een typisch Nederlands verschijnsel. In een ‘normale’ zin tref je eerst het onderwerp en dan de persoonsvorm. Inversie betekent dat de die volgorde verwisseld is. En dat gebeurt als je zinsdelen van plaats wisselt.

Robijn en Benjamin hebben na school thee gedronken. Na school hebben Robijn en Benjamin thee gedronken. Hebben Robijn en Benjamin thee gedronken?

In de eerste zin staat eerst het onderwerp (Robijn en Benjamin) en daarna komt de persoonsvorm (hebben). Dat is de normale gang van zaken. In de tweede zin staat een bepaling van tijd (na school) als eerste zinsdeel. Daarna komt de persoonsvorm en pas dan komt het onderwerp. Als de persoonsvorm voor het onderwerp staat, is er sprake van inversie. Inversie komt voor bij ja/nee-vragen. 

De zinsvolgorde kan ook afhankelijk zijn van een voegwoord. Dat is in andere talen meestal niet zo.

Ik kan niet komen, want mijn fiets is kapot.

Ik kan niet komen, omdat mijn fiets kapot is.

 

6   verschillende woordbetekenissen

En dan zijn er nog de woorden die verschillende betekenissen hebben zoals blik, kan, middel, pad, scherp, staat. En zo zijn er nog veel meer woorden met meerdere betekenissen.

Fijn kan betekenen dat iets niet grof is, maar ook dat iets leuk is. Terwijl als iemand moppert: “Hij is fijn….” dan geeft hij eigenlijk aan ergens niet zo blij mee te zijn.

 

7   kleine woordjes (partikels)

Het woord partikel geeft al aan dat het om kleine woordjes gaat. ‘Part’ betekent namelijk ‘deel’. Deze partikels hebben zelf weinig betekenis, ze maken in zekere zin deel uit van de context. Aan de context ontlenen ze hun betekenis. De Nederlandse taal heeft, meer dan andere talen, zulke kleine woordjes. En wat het lastig maakt is dat ze een nog wisselendere betekenis hebben. Het zijn woorden die tegelijkertijd het smeermiddel zijn van de taal, ze zorgen voor een soepel taalgebruik en zorgen dat de taal vriendelijker klinkt. Voorbeelden van zulke woorden zijn: er, maar, toch, meer.

  • Heb je er aan gedacht dat er geen bier meer is?
  • Leg dat boek maar neer. 
  • Wie is er jarig?
  • Ik ga toch!
  • Ik heb er geen zin meer in. 

Als je de partikels weglaat, krijg je andere zinnen. De stijl komt dan kortaf over. Partikels kunnen de hele betekenis van een zin bepalen. En op zijn minst zorgen ze voor een bepaalde toon. We weten allemaal hoe belangrijk het is om de juiste toon te treffen. Als je de partikels niet kent of hun juiste toepassing niet begrijpt, klinkt je taal al gauw onvriendelijk of onhandig. Toch kan het zijn dat je grammaticaal perfect spreekt. 


8   tijden

Er zijn geen duidelijke regels voor het gebruik van tijden. Voor de toekomende tijd gebruiken we gewoon de tegenwoordige tijd: “Ik kom morgen wel langs.” Je kunt zelfs de verleden gebruiken: “Kwam jij nou morgen of overmorgen?”

 

 

9   spreekwoorden, gezegden, zegswijzen en uitdrukkingen

Elke taal heeft een voorraad spreekwoorden en uitdrukkingen. Dat zijn vaste manieren om iets te zeggen. Spreekwoorden en uitdrukkingen zijn oud. Ze geven kleur aan een taal en zeggen veel over de geschiedenis en over de aard van een volk. De betekenis van spreekwoorden en uitdrukkingen is al eeuwenlang hetzelfde gebleven, maar de woorden slaan nergens meer op. De letterlijke betekenis is verloren gegaan, de figuurlijke betekenis is er nog wel.

Spreekwoorden zijn complete zinnen die een vaste woordvolgorde hebben. Het is een mededelingszin, een uitspraak met algemene levenswijsheid: Na regen komt zonneschijn.”

Een gezegde is een vaste verbinding van woorden met figuurlijke betekenis zonder werkwoord, geen complete zin: met hart en ziel

Een zegswijze kan wel een zin vormen en eventueel aangepast worden qua onderwerp en tijdsvorm: Het loopt de spuigaten uit.”

Uitdrukkingen zijn geen complete zinnen, maar delen van zinnen met een vast woordgebruik er in. Ze kunnen in een zin ingepast worden. Ook bij uitdrukkingen zie je dat de letterlijke woorden nergens meer op slaan: “iemand van haver tot gort kennen”.

 

10   Leenwoorden 

Leenwoorden zijn woorden ontleend uit een andere taal. De regels die we als kind geleerd hebben gelden hier niet altijd. Leenwoorden met een c: cirkel, centimeter, cacao, carrousel, cola, computer. De ene keer spreek je de c uit als een s en de andere keer als een k. Luister maar eens hoe je centimeter uitspreekt en computer.

 

Hoe moeilijk is de Nederlandse taal nu echt om te leren?

Dat hangt af van verschillende factoren, zoals:

  • gevoel voor taal;
  • moedertaal;
  • leervermogen en -ervaring;
  • kennis en beheersing van andere talen;
  • of je in Nederland woont;
  • of je lessen volgt en hoe vaak je studeert.

Mensen die op latere leeftijd Nederlands leren, kunnen het prima leren beheersen. Toch blijven er dan vaak enkele problemen. Er zijn in het Nederlands van die woorden die voor anderstaligen maar heel lastig echt goed te leren zijn. Taalgebruik waaraan je kunt merken dat een kind een anderstalige achtergrond heeft. Het gaat om typisch Nederlandse, voor anderstaligen, lastige taalkwesties. Het zijn vaak kleine woordjes, waarvan je direct hoort dat iemand Nederlands als tweede taal spreekt. 


Anderstaligen

In het basisonderwijs leren leerlingen gemiddeld 500 nieuwe Nederlandse woorden per jaar. Voor kinderen die thuis ook Nederlands spreken is dat wel voldoende. Ze pikken genoeg woorden op: thuis, op school, van tv, uit boeken, etc. Voor veel leerlingen die Nederlands als tweede taal hebben, is dat niet genoeg. Het basisonderwijs is niet voldoende ingericht op leerlingen die thuis een andere taal spreken.

Het woordaccent is verschillend per taal. Voor Nederlands is dat het Germaanse klemtoonpatroon, met het accent meer vooraan in het woord: vader, lopen . Bij andere talen, bijvoorbeeld de Romaanse talen, ligt het accent juist op het eind van het woord. Let wel op: leenwoorden in het Nederlands bijvoorbeeld uit het Frans hebben de Franse klemtoon: uniform, journalist. Het gaat hierbij om honderden leenwoorden. Het Nederlands zelf is al een vreemde taal, dus je merkt niet eens of iets een leenwoord is, zou je denken. Toch is dat niet helemaal waar. Leenwoorden kunnen lastig zijn, omdat ze weer op een andere manier uitgesproken worden. Nederlandse kinderen hebben deze woorden gewoon leren uitspreken van kleins af aan. Voor sprekers van toontalen, zoals het Chinees, is het moeilijk om deze aspecten te leren horen. In hun taal geeft de toonhoogte de betekenis aan, het onderscheidt woorden van elkaar.

Ook ritme is typisch voor het Nederlands: Heerlijk, helder, Heineken.

Woordbinden, het aan elkaar binden van woorden in de spreektaal of zelfs het half of in zijn geheel weglaten van woorden binnen een woordgroep, bijvoorbeeld keptsodruk, kweenietmeer, komt in sommige Zuidoost-Aziatische talen niet voor. Deze sprekers hebben de neiging ieder woord of zelfs iedere lettergreep los uit te spreken. Dit maakt dat ze soms wat boos of agressief klinken.

Om zo snel mogelijk mee te kunnen komen in onze maatschappij is het logisch dat immigranten in het kader van de inburgeringsplicht Nederlands moeten leren en een examen moeten afleggen. Wat voor ons vanzelfsprekend is, is voor een anderstalige duidelijk niet zo vanzelfsprekend. Daarom is het zo belangrijk dat anderstaligen in Nederland worden ondersteund door tolken en vertalers tot het moment dat zij de taal goed genoeg beheersen, zeker als het gaat om bijvoorbeeld gezondheid of juridische zaken.

Goed leren luisteren en naspreken van woorden en zinnen en dat vaak en veel doen, is de enige mogelijkheid om een taal goed onder de knie te krijgen. Tijdens mijn grafische opleiding aan het Media Instituut in Eindhoven leerde ik een Iraanse medestudente kennen. Zij keek met haar man jarenlang naar het Jeugdjournaal om de Nederlandse taal onder de knie te krijgen, naast de Nederlandse taallessen die zij volgde. Als je er veel tijd en energie instopt, wordt dat ook beloond.

Leuk om te weten misschien dat voor Nederlanders het leren van de volgende talen als zeer moeilijk wordt ervaren: Arabisch, Fins, Hindi, Mandarijn, Latijn, Portugees, Russisch en Turks.


Nederlandse taalhulp

Als je er zelf niet uitkomt of er geen tijd voor hebt, mag je te allen tijde contact met mij opnemen. Taaljuf helpt je heel graag met alles wat met Nederlandse taal te maken heeft, bijvoorbeeld als je:

  • een Nederlandstalig verslag moet maken/inleveren/presenteren;
  • een pakkende tekst nodig hebt voor op je website;
  • een professionele huisstijl zoekt;
  • een column/boek/artikel/bedrijfsstuk wilt laten nakijken op Nederlandstalige tekst;
  • voor alle overige diensten die Taaljuf je uit handen kan nemen op het gebied van de Nederlandse taal.

 

 

De 10 struikelblokken van de Nederlandse taal

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *