Kinderen en taal

 

Na een weekje voorjaarsvakantie lekker veel tijd te hebben doorgebracht met mijn kids, is het idee ontstaan een blog te schrijven over kinderen en taal.

Je hoort regelmatig van die grappige uitspraken tijdens het spelen van opgroeiende kinderen, veel te leuk om niet op te schrijven. En ik ben natuurlijk ook benieuwd naar de uitspraken van jouw kinderen. Afgelopen week heb ik eens rondvraag gedaan bij vrienden, familie en kennissen of zij misschien leuke anekdotes/voorbeelden hebben op het gebied van kinderen en taal. Daarop heb ik erg veel leuke reacties mogen ontvangen, die ik verderop in deze blog met je zal delen. Leuke zinnetjes, grappige uitspraken, alles voor een leuke blog.

 

Taal is leuk

Kinderen zijn nieuwsgierig en leergierig. Ze kopiëren, de hele dag door. Een kind wil zich verstaanbaar maken en gehoord worden. Wat is er dan leuker dan samen met je kind te kletsen, boekjes te lezen, liedjes te zingen en te rijmen? In elke leeftijdsfase zijn er allerlei leuke dingen te bedenken om de ontwikkeling van taal te stimuleren.

 

 

Kinderen en taal

 

 

Taalontwikkeling kinderen 0-12 jaar

Taal is de meest complexe vaardigheid die een mens bezit. Een kind leert Nederlands door het verkennen van de wereld om zich heen, waarbij het steeds nieuwe ervaringen opdoet. In de eerste 5 levensjaren wordt de grootste groei in taalontwikkeling doorgemaakt. Van non-verbale communicatie, klanken, mimiek en gebaren naar gesproken taal. Het praten van een kind ontwikkelt zich stap voor stap. Ieder kind doet dit op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo. De grondbeginselen van communicatie ontwikkelen zich in het eerste levensjaar. Hieronder een korte omschrijving per periode in de taalontwikkeling van kinderen van 0 tot 12 jaar.

 

baby

0-3 mnd Schreiperiode: ter oefening van de ademhaling, werking van de stembanden, werking van het aanzetstuk (door zuigen), contact met de buitenwereld.
2-3 mnd Gorgelende keelklanken, grote verscheidenheid aan klanken, akoestisch element gaat een rol spelen.
4-5 mnd

Baby’s rond deze leeftijd raken steeds meer geïnteresseerd in anderen. Brabbelfase, herhalen van rijen van steeds dezelfde lettergreep, lippen gaan meewerken in de geluidsproductie, stemloze lachen gaat over in ‘kraaien’, lal-en keuvelgeluidjes.

Als de ouders en het kind om beurten geluid maken komt het ‘beurt wisselen’ in de vroege taalontwikkeling op gang. Dit is een belangrijke vaardigheid in het gesprekjes voeren met anderen. Praat altijd rustig en vriendelijke tegen je baby. Zing en lach mee. Benoem de personen en dingen om je kindje heen en vertel steeds wat je zelf aan het doen bent, kinderen leren en kopiëren. Geef je kindje boekjes van stof en plastic en kijk samen naar de plaatjes. Dit stimuleert het latere lezen.

5-6 mnd Vocalisaties, waarbij plezier en frustraties zijn te onderscheiden, stemherkenning van de moeder.
6-7 mnd Oefening van beheerste geluiden, klanken met intonatie onderscheidend in volume en toonhoogte, herhalingsklanken, echolalie (onbewuste nabootsing van de laatst gehoorde klankgroep) bijvoorbeeld ‘dadadadada’.
 8 mnd

Echolalie gaat langzaam over in lichte imitatie, baby gaat ‘bewust’ communiceren, gaat het verband begrijpen tussen zijn/haar gedrag en de reactie van de ander. Actieve pogingen tot nabootsing met zinsmelodie (sociaal brabbelen), willekeurige aaneenrijging van klanken, af en toe 2-lettergrepige klanken, fluisteren lokt uit tot imitatie.

Liedjes zingen stimuleert de taalontwikkeling en is fantastisch, het liefst met spannende geluidjes en beweging.

 9 mnd Vocabuleerfase, zinvol gebruik van bepaalde klankgroepen, simpele opdrachtjes worden begrepen.
11 mnd Simpele verzoeken worden verstaan en uitgevoerd.
 12 maanden 

Eigenlijke taalfase, systematisch gebruik van eerste woorden, er worden alleen nog zelfstandige naamwoorden gebruikt (ca 10-20 woorden) die verwijzen naar mensen, voorwerpen of gebeurtenissen in het hier en nu.

Rondom het 1e jaar verschijnen vaak de eerste woordjes, maar dat is per kind verschillend. Vlotte sprekers kunnen met 8 maanden al hun eerste woordjes laten horen, maar er zijn ook kinderen die pas rond 1,5 jaar of later gaan praten.

Varieer met je stem, dat vindt je kind leuk. Laat je kind het plezier van communiceren zien. Bekijk samen plaatjes en maak er bijbehorende geluiden bij. Stimuleer je kind uit een echte beker te drinken, dat is goed voor de ontwikkeling van de mondspieren. Geef je kind steeds minder vaak een speen.

 

dreumes

1 – 1,5 jaar   Eenwoord fase: woorden worden nagebootst, maar nog niet zelf gebruikt. Veel brabbelen (monologen tijdens spelen), steeds meer woorden worden begrepen (passieve woordenschat van ca. 70 woorden).
 1,5 –  2 jaar

Je kind gaat meer praten, gebruikt nu ook werkwoorden, kan ‘nee’ zeggen maar nog niet duidelijk ‘ja’. Je kind gebruikt woorden om dingen te benoemen, geen enkel begrip van taalregels, heeft plezier in nieuwe woorden leren en stelt steeds de vraag ” is dat …..? “. Je kind wisselt van veel medeklinkers, dubbele medeklinkers zijn nog lastig (passieve woordenschat ca. 300 woorden).

Losse woorden worden gecombineerd tot de eerste tweewoord zinnen, de 2 belangrijkste woorden uit een zin worden uitgesproken: ‘Mama, fiets’ . Een kind van deze leeftijd vereenvoudigt de uitspraak van sommige woorden of klanken. ‘Fieze buiten’ (ik wil buiten fietsen) Je kan nu korte gesprekjes met je kind voeren.

Gebruik eenvoudige, korte zinnen. Herhaal de woorden die je kind niet goed uitspreekt op de juiste manier. Het kind hoeft het niet te herhalen, maar leert van wat jij vertelt. Door het goede voorbeeld te noemen, leert je kind vanzelf het woord goed. Vormen en kleuren zijn rond deze leeftijd erg interessant. Samen lezen, bijvoorbeeld voor het slapen gaan, stimuleert de taalontwikkeling.

 

 

 

 

peuter

 2-3 jaar

Brabbelen maakt plaats voor echt praten, de uitspraak verbetert vooral bij medeklinkers. Dubbele medeklinkers worden langzaam beter gebruikt (wel vaak in de verkeerde volgorde ‘weps = wesp’), er worden nu ook voorzetsels (in, op, onder) gebruikt. Scheiding ik en jij-vorm, gebruik van voornaamwoorden (mij, jou), veel wat- en waarom-vragen, vormen van meervoud, gebruik van verleden tijd (meestal overal -de achter ‘ hij vraagde’). 

Je kind leert snel veel nieuwe woorden en zegt zijn eigen naam. De eerste driewoord zinnen ontstaan. De zinnen verbeteren qua grammatica. Je kind leert werkwoorden vervoegen. Er ontstaat steeds meer een besef van tijd. Je kind gaat vertellen waar iets is. Het kan zijn dat je kind eerst meer fouten gaat maken dan daarvoor. Dit is nodig om te zoeken naar de juiste taalregels. Dit zal verbeteren door het geven van jouw goede voorbeeld. Je kind maakt langere zinnen 3-5 woorden (passieve woordenschat ca. 400-500).

Je kan de woordenschat van je kind vergroten door voorwerpen te benoemen en door te vertellen wat je zelf aan het doen bent. Als je kind iets niet begrijpt kan je je kind iets laten zien, laten voelen, proeven, ruiken of iets voor te doen/uit te beelden.

 3-4 jaar

Er ontstaat begrip voor taalregels, eindeloze waarom-vragen: het kind wil alles weten op deze leeftijd. Door de vele antwoorden op waarom-vragen leert je kind een moeilijke zinsconstructie te beheersen. “Omdat het nu tijd is om te gaan eten” in plaats van “We gaan nu eten”.

Meer begrip van betekenis van woorden, je kind vertelt veel verhalen. Minder fouten in de uitspraak, nog wel moeite met de zinsopbouw, pseudo-stotteren : je kind wil zoveel vertellen dat hij/zij niet meer uit zijn of haar woorden kan komen, gaat meestal vanzelf weer over), de ‘R’ en de ‘S’ zijn vaak nog lastig uit te spreken en worden vervangen door een ‘J’, ‘W’ of’ L’. De ‘S’ wordt vaak nog slissend uitgesproken vanwege een nog niet ver genoeg ontwikkelde mondmotoriek (woordenschat ca. 600 woorden).

Een kind van 3-4 jaar voert al echte gesprekjes, meestal in zinnen van 3-5 woorden. Taal wordt nog wel heel letterlijk genomen. “Wie het hoogst gooit, mag beginnen.” Je kind zal de dobbelsteen zo hoog mogelijk de lucht in gooien.

Lees samen boekjes en vertel om de beurt hoe het verhaaltje ging. Kinderen vinden het fijn steeds weer hetzelfde verhaaltje te horen.  Als ouder stimuleer je de taalontwikkeling als je het kind rustig laat praten en zelf de tijd neemt om te luisteren en te antwoorden. Samen voorlezen, spelletjes doen, liedjes zingen en vragen stellen is een goede ondersteuning bij het leren van taal. 

 

kleuter

4-6 jaar De uitspraak is bijna helemaal goed, wel versprekingen. De zinnen worden langer, de belangrijkste grammaticale regels worden grotendeels goed toegepast, begin van de ontwikkeling van abstracte begrippen.

Als je kind 4 jaar is maakt het goede, eenvoudige zinnen. Kinderen kennen op deze leeftijd al veel woorden en leren er ook dagelijks nog veel nieuwe bij. Ook is de uitspraak al bijna helemaal goed. Ze verspreken zich nog wel eens als ze veel willen vertellen. Als je kind 5 jaar is, gaat het steeds meer langere zinnen maken en bijvoorbeeld bijzinnen gebruiken met ‘want’, ‘maar’ en ‘omdat’. Kinderen leren nu ook praten over wat er eerder is gebeurd (vroeger) en wat er nog moet gebeuren (toekomst). Verder gaan ze ontdekken dat er zoiets is als ‘schrift’ en wat je daarmee kunt doen,  bijvoorbeeld een kaartje schrijven.

Televisie kijken kan eerzaam zijn voor een kind. Via de televisie kan het een kijkje nemen in andere werelden en kennis maken met nieuwe dingen. Positieve programma’s kunnen je kind ten goede beïnvloeden. Kies samen een programma uit en bepaal een goed moment om dat samen te kijken. Laat de televisie niet op de achtergrond aan staan. Een kind leert nog altijd meer van (fantasie)spelletjes en doen.

Om de taalontwikkeling te stimuleren kun je veel met je kind praten, samen rijmen, liedjes zingen, voorlezen en je kind de kans geven om te schrijven. Het hoeven natuurlijk nog geen letters te zijn (ca 500-3000 woorden ter beschikking op 6-jarige leeftijd).

 

 

 

 

schoolkind

6-9 jaar Op deze leeftijd leren kinderen lezen en schrijven. Het is heel belangrijk om te leren lezen. Bij alle vakken op school is het nodig om goed te kunnen lezen, zoals bijvoorbeeld bij rekenen. Veel opgaven staan in het rekenboek in de vorm van een verhaaltje.

Door lezen leren kinderen steeds meer over taal. Hun woordenschat wordt groter en ze vormen steeds langere en betere zinnen. Bovendien leren kinderen door te lezen ook beter nadenken en stimuleert het hun fantasie. Je kind leert niet alleen veel nieuwe woorden, maar ook welke betekenissen een woord heeft. Zo is een bank iets om op te zitten en een plek om geld te halen. Verder leren ze dat verschillende woorden (ongeveer) hetzelfde kunnen betekenen, zoals een bank en een sofa.

Belangrijk is dat kinderen ‘diepe’ woordkennis krijgen. Neem het woord ‘appel’. Je kind leert de eigenschappen van een appel: hij is rond, heeft een klokhuis met pitjes en een harde schil. Je kind leert dat een appel hoort bij de categorieën fruit, voeding en levensmiddelen, en dat er allerlei woorden zijn die te maken hebben met appel: appelsap en appelmoes. Er zijn spreekwoorden met appel en nog veel meer. Het ontwikkelen van de woordkennis gaat het hele leven door. Je kind leert een woord dan ook niet door het na te zeggen, maar door ervaringen op te doen in allerlei situaties waarbij het woord wordt uitgesproken.

9-12 jaar

Vanaf een jaar of 8 is de ontwikkeling van de articulatie voltooid: je kind kan alle klanken nu goed uitspreken. Kinderen leren nu ook de regels van de grammatica steeds beter, al betekent dat niet dat ze die ook allemaal goed toepassen. Vanaf groep 4 krijgt je kind ‘begrijpend lezen’ en gaat het zelf stukjes schrijven. Verder worden de woordenschat, de zinsbouw en de spelling steeds beter. Je kind kan steeds beter vertellen of opschrijven wat het denkt, bedoelt of meemaakt. In deze leeftijd begrijpen kinderen informatie die ze lezen of horen al behoorlijk goed en kunnen ze steeds beter hun mening geven.

 

Kinderpraat

Het leren beheersen van de Nederlandse taal is een kwestie van leren en herhalen. Oefenen, oefenen en nog eens oefenen: leren door vallen en opstaan. Kinderen maken eerst heel veel taalfouten voordat ze in staat zijn een taal te beheersen. En die taalfouten zijn hartstikke leuk om op te schrijven voor later. Ik heb een aantal hele leuke uitspraken verzameld de laatste week. Lees en geniet.

 

uitspraak

Naomi (4 jaar): “kili” (kiwi)

Floor (5 jaar): “prakipa” (paprika) en “Lex, je hebt koorts: 8 meter!”

Kay (2,5 jaar): “compututer” (computer)

Meis (2,5 jaar) hoort haar broertje Abel huilen en zegt: “Kom maar jongen, ik doe jou wel proosten”. (troosten)

Marlou (4 jaar): “verderkijker” en “buienrader”

Sanne (3 jaar): “ballenpruk” (prullenbak)

Stijn (4 jaar): “Wow, ik schrik me een haartje!” (hoedje) en “De trein moet stoppen bij de boomslag”. (slagboom)

Dex (bijna 5): “bieblioscoop” (bioscoop)

Xavi (4 jaar): “Mam en pap, gaan we deze vakantie weer in een lotel slapen?” (hotel)

Robijn (2 jaar): “Jommes, niet praten, Robijn zit te eten.” (Jongens niet praten …)

Mats (3 jaar): “poepkroep” (kroepoek) en “tellebet” (tablet)

Toots (3 jaar): “Welterusten. loeder.”

Finn (3 jaar) wilde zeggen dat hij met blote voeten in z’n laarsjes kon, maar zei: “het kan wel met mijn niet te sokken.”

Maud (5 jaar): “Ik zag het toch! Ik ben niet doof!”

Stella (3 jaar): “tinkenade” (limonade) en “egelstronken” (dennenappels)

Floor (4 jaar) zegt tijdens een profronde: “Als ik op mijn wielfiets ga rennen … “

Meis (2 jaar): “stof schuiven” (stofzuigen), “pakejoni” (macaroni) en “menommenoms” (molens)

Ginger (5 jaar): “Ik heb veel weiniger  limonade grekegen dan hij.”

Robijn (3 jaar): “hafelslaf” (hagelslag)

Vince (2 jaar): “izeba” (zebra) en later wordt dit uitgebreid naar (2,5 jaar): “rezebra”

Robijn (5,5 jaar): “Kom, we gaan papa helemaal doorzichtbaar maken.”

 

taalbegrip

Fenne (7 jaar) op weg naar de eerste zwemles van zusje Minke: “Je gaat dan ook de borstcrawl leren.” Minke (4 jaar) zegt daarop: “O, dat is goed voor je borstjes.”

Lex (2 jaar): “Hou eens op, dikke bult!”

Annabel (7) wil graag oude kaas op haar brood, waarop haar broertje Toots (5 jaar) zegt: “En doe mij maar oude worst”.

Robijn (2,5 jaar): “Robijn moet poedersuiker op de billen.” (talkpoeder)

Benjamin (3,5 jaar): “Kijk mam, ik heb een windwapper.” (waaier)

Stijn (4 jaar) geeft zijn moeder antwoord op wat rekenvragen: “3 + 3 =?”  “6”. / “4 + 4 = ?”  “8”.  /  “5 + 5 = ?”  “10”.  /  “1 + 1 = ?”  “11”. (2)

Maud (6 jaar) krijgt van haar juf de vraag: “Wie houdt er van friet?” Maud antwoordt: “Ik niet juf, ik ben dyslectisch voor aardappels”.

Stella (4 jaar) wijst naar haar botten in haar zij: “Mama, ik heb 2 ruggen.” Haar moeder legt uit dat dat haar heupen zijn, waarop Stella zegt: “O, heb ik dan 2 huppeltjes?”

Benjamin (3 jaar): “Mama, ik ben heus de jokken niet aan het brokken, hoor.”

Abel (4 jaar) hoort dat het nichtje van zijn moeder een dikke buik heeft, omdat er een baby in haar buik zit. Abel zegt: “Heb je een baby opgegeten dan?”

Ginger (5 jaar): “Mama, die mevrouw die net tegenover ons zat, had net van die breinaalden als jij”. (Ze bedoelde wenkbrauwen.)

Sanne (5 jaar) is aan het kwartetten met haar vriendinnetje Emma en zegt tegen haar moeder: “Wil je ons helpen? Emma en ik snappen het spelletje niet. We hebben allebei een ‘raket’ maar weten niet hoe verder.”

Giulia (7 jaar) rijdt met haar moeder achter buslijn 999: “Kijk mama, die bus heeft nummer 27.” Haar moeder zegt: “Nee, dat is nummer 999.” Waarop Giulia zegt: “Nee hoor, want 9 + 9 + 9 = 27.”

Benjamin (4 jaar): luistert naar het voorlezen van een verhaal uit zijn sprookjesboek met als tekst: “Doodmoe, viel zij in slaap.”, waarop Benjamin verbaasd zegt: “Is ze dan écht dood, mama?”

Kay (2,5 jaar) drinkt appelsap met prik en zegt: “Mama, er zitten stekelvissen in mijn drinken”.

Robijn (bijna 6 jaar): “Ik ben zo moe, ik moet nu echt even uitputten”.

Lina (8 jaar) vroeg haar moeder: “Mam, ben je voor Natuniek of voor de Protesteerders?” Haar moeder wist niet waar dit precies over ging en kreeg daarna uitleg over o.a. geloof, rijkdom, opstand, beeldenstorm en de paus. Haar vraag bleek dus te gaan over Katholieken en Protestanten.

 

grammatica

Robijn (3 jaar): “Wat doen jullies?” en “Mama, jouw oorbellen zijn hele mooies.”

Benjamin (2 jaar): “Dit is mijnese loopfiets!”

Vince (2 jaar): “Ik valt.” en “Ik heeft.”

Robijn (4 jaar): “met zonder jas”.

Benjamin (3,5 jaar): “Zo moet je dat doen, zoals ik dat doedde.” Ook zag hij in een voorleesboekje een leeg gelopen opblaaskrokodil, waarop hij zegt: “Mama, de opblaaskrokodil is plat gelekt.”

Benjamin (4 jaar): “Dat zeidde ik toch?”

Robijn (5 jaar): “Beneden liggen de hemze” en “Ik heb lekker geslaapt, mam”.

 

grappige uitspraken

Robijn (3 jaar) over haar kale opa: “Opa heeft geen haren, die zijn weffewaaid”.

Rubin ( 5 jaar) kreeg ’s ochtends iets onder zijn oog. Zijn moeder legt er een natte handdoek op, waarop Rubin zegt: “Ik wil met 2 ogen naar school!”

Vince (2,5 jaar) ziet een fles mayonaise met een afbeelding van een ei erop en zegt: “Kijk mama, eiersaus”.

Tijs (3 jaar) zijn haren kwamen omhoog toen hij papa aanraakte. Zijn vader zegt: “Dat heet elektriciteit.” Tijs zegt: “Nee hoor, dat heet statisch!”

Benjamin (4 jaar) kreeg het spel Monopoly jr. voor zijn verjaardag: “Mam, zullen we holymoly spelen?”

Babette (2,5 jaar) wist niet of ze grote broer of zus zou worden toen haar zusje Lizanne nog geboren moest worden.

Giulia (7 jaar): “Mama, gaan we naar de kaasmeneer of naar de Appelhein?”

Suze (3 jaar) wil iets fluisteren tegen haar moeder en fluistert: “Mama, mag ik iets aan je oor vertellen?”

Tijs (4 jaar) wordt door mijn moeder mee gevraagd de hond uit te laten, waar hij geen zin in heeft. Zijn moeder zegt: “Kom, even lekker een frisse neus halen.” Tijs zegt: “Weet je hoe je dat doet? Je doet de deur open en steekt je hoofd naar buiten. Daar hoef ik niet Milo voor uit te laten”.

Abel (4 jaar) ziet een gesluierde vrouw over een zebrapad lopen en zegt: “Wha mama, een spook!”

Minke (5 jaar) vraagt aan haar moeder hoe oud zij was toen ze ging trouwen. Haar moeder antwoordt: “30”. Minke zegt daarna: “O, ik weet het nu al. Ik trouw met Bram en we gaan in het huis van zijn oma wonen.”

Aylean (5 jaar) zegt tegen haar moeder als haar buik knort van de honger: “Mama, het onweert in jouw buik”.

Hendrik (5 jaar) hoort van zijn moeder dat de tv stuk is, waarop hij zegt: “Dan doe je er toch een batterij in”.

De zusjes Stella (5 jaar) en Babette (3 jaar) leggen ineens de klemtoon op de laatste ‘n’ als iets heel belangrijk is om uit te leggen aan hun zusje Lizanne (0): “Lizannen”, “limonaden”, “speeltuihuin”.

Meis (3 jaar) ligt in de tandartsstoel en kijkt naar de assistente boven haar en zegt: “Sooo, jij hebt mooie kup op”. (make-up)

Wat wil je later worden? Mats (3 jaar): “dinosaurus!” Benjamin (3 jaar): “krokodil!”

 

Heerlijk toch, kindertaal? Heb jij misschien ook leuke uitspraken van jouw kind? Ik ontvang heel graag jouw reactie op mijn blog.

 

 

Kinderen en taal

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *