Het hun/hen dilemma

In welke gevallen gebruik je hun en wanneer is hen de juiste keuze? Na het lezen van dit blog is jouw kennis opgefrist.

 

Waarom bestaat dit verschil?

Het onderscheid tussen de twee Nederlandse persoonlijke voornaamwoorden ‘hen’ en ‘hun’ van de derde persoon meervoud, ook wel bekend als het ‘Systeem-Van Heule’, is bedacht door Christiaen van Heule in zijn werk ‘De Nederduytsche Grammatica ofte Spraec-konst’ (1625).

 

alles over HUN

Gebruik het persoonlijk voornaamwoord ‘hun’ als het een meewerkend voorwerp is en er geen voorzetsel voor staat. Je kunt er dan vaak wel een voorzetsel bij denken (bijvoorbeeld aan, voor, bij of volgens) of een voorzetselgroep (met betrekking tot, ten aanzien van, etc.):

  • Ik geef hun het glas (hun = ‘aan hen’)
  • Hij schonk hun een kopje koffie in (hun = ‘voor hen’)
  • Hij rookt hun te veel (hun = ‘volgens hen, wat hen betreft’)
  • Dat viel hun te zwaar (hun = ‘voor hen’)
  • De tranen sprongen hun in de ogen (hun = ‘bij hen’)

Hun is ook een bezittelijk voornaamwoord:

  • Dat is hun boek
  • Ik fietste naar hun huis
  • Het werk is gedaan volgens hun aanwijzingen

alles over HEN

Na een voorzetsel:

  • Ik geef het boek aan hen
  • Ik deed het voor hen
  • Zijn houding jegens hen
  • Hij blijft altijd bij hen
  • De mensen stonden om hen heen
  • Dankzij hen ben ik op tijd
  • Wat moet er volgens hen gebeuren
  • Ik krijg het van hen

Als lijdend voorwerp:

  • Ik bekijk hen
  • Hij ontslaat hen
  • Ik zie hen
  • Zij mijdt hen

Een goed controlemiddel: als je de zin lijdend maakt (met worden), verandert hen in het onderwerp zij (‘Ik bel hen/hun op’ – ‘Zij worden opgebeld’ – dus ‘Ik bel hen op’).


Het gebruik van ZE

Een zin als ‘Ik heb het aan hun gegeven is onjuist. Het moet zijn: ‘Ik heb het hun gegeven. Of ik heb het aan hen gegeven.’

Lukt het je niet om met deze vuistregels je twijfel op te lossen, gebruik dan ze. In niet al te formele teksten is dit vaak prima bruikbaar als alternatief voor hen én hun: ‘Ik geef ze (hun) het boek’, ‘Laat ze (hen) maar praten.’

Let op: hen en hun kunnen alleen gebruikt worden als er naar personen wordt verwezen; als het om voorwerpen, zaken en dergelijke gaat, is alleen ze mogelijk:

  • Ik haal de boeken op en geef ze aan jou
  • Daan heeft mooie knikkers en neemt ze morgen mee naar school
  • Lise gaat broodjes halen bij de bakker en neemt ze mee voor de lunch

 

 

Het hun/hen dilemma
Tags:                     

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *